Kolenwasserij van Beringen Mijn

Kolenwasserij van Beringen Mijn

gemeente: 
Beringen
aanvullingen: 

------------------

U kunt meehelpen om de kolenwasserij te redden.
Stuur een brief waarin U op behoud aandringt aan

  • Geert Bourgeois, Vlaams Minister-President en minister bevoegd voor Onroerend Erfgoed
    Martelaarsplein 19, 1000 Brussel
  • Mevr Sonja Vanblaere, administrateur-generaal Agentschap Onroerend Erfgoed
    Koning Albert II-laan 19, bus 5 | 1210 Brussel
  • de Vlaamse Commissie voor Onroerend Erfgoed - VCOE
    Koning Albert II-laan 19, bus 24 | 1210 Brussel
  • de Bestendige Deputatie van de Provincie Limburg
    Provinciehuis, Universiteitslaan 1, 3500 Hasselt
  • het College van Burgemeester en Schepenen van Beringen
    Mijnschoolstraat 88, 3580 Beringen

 

-------------------

IN DE PERS

STEUN VVIA

 

 

De  SA Charbonnages de Beeringen werd gesticht op 23 februari 1907 en de eerste industriële gebouwen werden in 1909 opgericht. Dat was het begin van de uitbouw van de exploitatiezetel. In 1989 kwam de laatste steenkool boven.
.

De kolenwasserij en kolenzeverij werden vanaf 1923 en 1924 uitgebouwd.
In 1923 startte men met de bouw van de kolenwasserij en zij werd in september 1924, twee jaar na de opstart van de mijn zelf, in dienst genomen. Nadien werd de wasserij verschillende malen uitgebreid, met respectievelijk Kolenwasserij 2, Kolenwasserij 3 en Kolenwasserij 4.  Uiteindelijk had het complex een dagcapaciteit van 7.500 ton, in 1962 zelfs 7.700 ton. De verschillende uitbreidingen illustreren niet alleen de groei van de steenkoolmijn, maar ook de geschiedenis en evolutie van de techniek van het kolenwassen en -zeven over bijna een halve eeuw.

schema van een kolenwasserij

schema van een kolenwasserij
(uit: Bert Van Doorslaer: Steenkool in Limburg (St.-Truiden, Prov. Museum Industrieel Erfgoed, 1983)
 

Een kolenwasserij en -zeverij is het belangrijkste en het meest vitale bovengronds productiegebouw van een steenkoolmijn. Hier worden de steenkolen die uit de ondergrond komen gescheiden van de steen- en andere afval en gesorteerd. Het 'wassen' van de steenkool gebeurt in een bad met een zware vloeistof, waarvan het soortgelijk gewicht gelegen is tussen dat van de stenen en de steenkool. De zuivere steenkool blijft bovendrijven, de stenen zinken naar de bodem waar ze met schraapbakken verwijderd worden. Ook het steenkoolstof, het 'slik' wordt via een 'flottatieproces' gerecupereerd , gefilterd in vacuümfilters, gedroogd in een droogtoren en opgevangen in een centrifugaal-apparaat (de 'cycloon').
De kolenwasserij staat op metalen pijlers ('poten') waar de treinsporen onderdoor lopen, zodat de wagons automatisch gevuld kunnen worden.
Bij de kolenwasserij hoorde ook een gespecialiseerd laboratorium om voortdurend de kwaliteit van de afgeleverde producten te controleren, o.m. de geschiktheid van de steenkolen voor de cokesfabrieken.

Toen de Limburgse mijnen sloten besloot de Vlaamse Overheid om minstens één mijn zo volledig mogelijk te bewaren. Dat werd de mijn van Beringen omdat daar de meeste relevante gebouwen en installaties nog aanwezig waren. De steenkoolmijn van Beringen werd op 22 december 1993 wettelijk beschermd. Het was daarmee de grootste beschermde zone in Vlaanderen en toen ook de grootste bescherming van mijnerfgoed in Europa.
Op 19 december 1994 werd ook de kolenwasserij wettelijk beschermd als monument: "de kolenwasserij en -zeverij inclusief het toebehoren; dit alles met inbegrip van de uitrusting onroerend van aard en/of bestemming [...] o.a. leidingen, verbindingen, passerellen, transportbanden, machines, werktuigen, alle toebehoren inherent aan de werking, zoals mechanische, elektrische, elektro-mechanische, elektronische, hydraulische onderdelen, controle- en regeltoestellen, enz..."
Daarmee werd een uniek complex in principe voor de toekomst veilig gesteld en was Vlaanderen een toonvoorbeeld voor andere mijnregio's in Europa.

De kolenwasserij van Beringen is de grootste getuige van de industriële geschiedenis van ons land en één van de laatste grote kolenwasserijen in West-Europa. In Blegny-Trembleur (Wallonië) is een kleine kolenwasserij deels behouden en hergebruikt als kantoren en museumruimte. In Péronnes-lez-Binche stak het Waalse Gewest 13 miljoen euro in de restauratie van de buitenkant van de gewapend betonnen kolenwasserij uit 1954. Maar beide zijn van een totaal ander type en veel jonger dan in Beringen.
In het Ruhrgebied werd de vergelijkbare kolenwasserij van de mijn Zollverein gebruikt als vestiging van het Ruhr-museum.
Op andere plekken werden enkele delen van een kolenwasserij behouden, maar werden al de installaties verwijderd.

Alleen al daarom is de kolenwasserij van Beringen een monument van Europees formaat.

Omwille van de omvang van het herbestemmingsproject werd gekozen voor een PPS-structuur (Publiek-Private Samenwerking).
Na een aanbesteding werd het project in juni 2009 toegewezen aan de nv be-MINE met als aandeelhouders de Limburgse Investeringsmaatschappij LRM, DMI Vastgoed en Van Roey Vastgoed.
Er werd intussen reeds heel wat gerealiseerd, geïnvesteerd en ook gesubsidieerd.
Voor de meeste mijngebouwen is intussen een nieuwe bestemming gevonden of in ontwikkeling.

Maar blijkbaar is de kolenwasserij een heet hangijzer. Voor drie van de vier secties is er geen bestemming - en de investeerders en ook de overheid schrikt van de kosten die vooropgesteld worden.
Een architectuuronderzoek dat zo'n 15 jaar geleden uitgevoerd werd concludeerde toen :

Het valt niet te loochenen dat de restauratie en herbestemming van de kolenwasserij op zich het leeuwendeel van de begroting zullen opeisen.
Niettemin kan deze investering verantwoord worden :
- het zijn de enige gebouwen met een echt industriële architectuur op het terrein. Denk ze weg en wat houdt men over ? Een soort grote abdij met twee schachtbokken ...
- het zijn de enige gebouwen die deel uitmaakten van het eigenlijke productieproces op de mijn. De andere gebouwen functioneerden eerder in de periferie ( sociale, administratieve of logistieke functie ). Vanuit technisch industrieel-archeologisch standpunt is de kolenwasserij dus het belangrijkste deel van de site.
- hoewel de herbestemming geen eenvoudige opdracht zal zijn, blijkt uit berekeningen dat deze niet duurder uitvalt dan een vergelijkbaar nieuw te bouwen volume. Men kan evenwel aannemen dat een dergelijk nieuwbouw-project met stedelijke allure in Beringen geen kans maakt. Het zijn de eigenheid en de meerwaarde van de bestaande gebouwen die er in de eerste plaats voor zullen zorgen dat het project een voldoende aantal gegadigden kan aantrekken.

Maar, dat is 15 jaar geleden, en we vermoeden dat deze conclusies intussen ergens onderaan één of andere kast beland zijn.
Sedert verschillende jaren duiken er allerhande berichten op als zouden er plannen gesmeed worden om de bescherming van de kolenwasserij (gedeeltelijk) op te hebben en (gedeeltelijk) te slopen. Daartegen was al heel wat protest, zowel van plaatselijke als tal van andere organisaties die dit dominerend gebouw niet willen zien (gedeeltelijk) verdwijnen (zie o.m. linkerkolom)

Tijdens voorbije Vlaams-Nederlandse Ontmoetingsdag voor Industriële Archeologie, op 19 november 2016, in de voormalige Nederlands-Limburgse mijngemeente Kerkrade, werd een bespreking aan de kolenwasserij van Beringen gewijd, en werd door de deelnemers unaniem een motie goedgekeurd waarin zij voor behoud pleitten. Deze motie, die aan alle bevoegde diensten en instanties gestuurd werd, kende een ruime weerklank - maar van overheidswege werd er niet op geantwoord...

Op 7 december 2016 stelde Vlaams Volksvertegenwoordiger Bert Moyaers (sp·a) een schriftelijke aan minister Geert Bourgeois ‘Mijnsite Beringen - Bestemming kolenwasserij 3'
Uit het antwoord van Minister Bourgeois leren we o.m.

"1. De beslissing door de Vlaamse Regering om de gedeeltelijke opheffing van de beschermde site op te starten werd niet gebaseerd op een studie [rood van ons]. Ze werd genomen bij de goedkeuring van de gewijzigde protocolovereenkomst betreffende de meerjarenplanning. Het aanvraagdossier van de eigenaar hiervoor omvatte tevens de raming van stabiliteitswerken, die u in bijlage vindt. Hierin werd de kostprijs aangegeven voor de afbraak van kolenwasserij 1, de conservatie van kolenwasserij 3 en 3, en de restauratie van kolenwasserij 2 en een deel van de losvloer.
2. Zoals u aanhaalt in uw vraag start ik de opheffing van een deel van de bescherming op omwille van de bijzonder hoge kosten voor de instandhouding van de site als geheel. Ik acht het maatschappelijk niet verantwoord om een dergelijk hoog budget te investeren in deze instandhouding"

[...] - het volledige dossier met vraag, antwoord en bijlage kunt U onder bovenstaande verbinding consulteren

We keken even naar de bijlage, en de sloping van kolenwasserij 1 zou 329.550 euro kosten - de kosten voor instandhouding zijn niet gegeven. Als we dat bedrag tellen bij de instandhoudings- en restauratiewerken voor de andere delen en de losvloer dan zouden we aan iets boven de 8 miljoen euro zitten
Opmerkelijk antwoord. We vergelijken even met het Waalse Gewest dat 13 miljoen investeerde in de restauratie van de buitengevel van de betonnen kolenwasserij van Péronnes-lez-Binche. In 2016 subsidieerde de Vlaamse Overheid voor 3 van de 4 restauratiefasen van het Mechelse Predikherenklooster 8.225.687,25 euro. Het volledige prijskaartje voor de vernieuwde Koningin Elisabethzaal in Antwerpen bedroeg 87 miljoen euro.
Alles is natuurlijk relatief...
Maar met industriële gebouwen wordt losser omgesprongen dan met een kerk, een klooster of een kasteel. Daar durft niemand voorstellen om één vleugel ofte 25% te slopen omdat instandhouding te duur zou zijn.

Het valt ons ook op dat we nergens een grondige studie konden vinden van de verschillende bouwfasen van de kolenwasserij en hun relevantie.
Eén van onze leden bezorgde ons onderstaand plan, waarop we de inplanting zien van de oudste kolenwasserijen 1, 2 en 3, de droogkolenwasserij en de zifterij.
Jammer genoeg is het document niet gedateerd:

We kunnen dit plan vergelijken met de samenstellende delen van de kolenwasserij, zoals opgenomen in het beschermingsbesluit
... en met wat er zou overblijven na de slopingen die men zou willen uitvoeren

 

Vanuit VVIA willen we het hierbij echter niet laten.
Op 30 juni dienden we een uitgebreid dossier over de kolenwasserij in voor de Europese campagne "The 7 Most Endangered".
Dit is een campagne die Europa Nostra, de Europese koepel van erfgoedorganisaties voert met de ondersteuning van het European Investment Bank Institute (EIBI) en de Council of Europe Development Bank als associate partner, en dat gecofinancierd wordt onder het Creative Europe programme van de Europese Unie.

Na grondig onderzoek van het dossier, adviezen van allerhande experten, en jurering worden er zeven dossiers weerhouden, die op inhoudelijke en praktische steun kunnen rekenen voor de redding en herbestemming van de sites. Deze steun kan bv bestaan uit concrete voorstellen bij het vinden van nieuwe en haalbare alternatieven; technische steun bij onderzoek naar en de evaluatie van alternatieven; financieel advies en bemiddeling bij het streven naar Europese tussenkomsten; hulp bij het zoeken naar private of publieke financiële steun en (aanvullende) investeringen binnen het kader van Europese steunprogramma's; capaciteitsopbouw; enz...
We weten dat er voor deze campagne heel wat gegadigden zijn, en dat ons dossier zal moeten opboksen tegen tientallen dossiers uit andere Europese landen.
Maar van één ding zijn we zeker: in de loop van volgende maanden zullen heel wat experten zich over de problematiek van de kolenwasserij van Beringen buigen.
En zal de kolenwasserij van Beringen zich op Europese belangstelling kunnen verheugen.

Intussen duimen wij op de afloop.

Neem contact met de VVIA afdeling Limburg als U ons en het dossier op één of andere manier wil ondersteunen.